Het verhaal van Karen

 

Ik ben Karen. Bijna 44 jaar, getrouwd en ik heb drie dochters. Ik woon in Brugge en ben verpleegkundige van opleiding. Na een tiental jaar in een ziekenhuis gewerkt te hebben en een tijdje les te geven, ben ik sinds enkele jaren aan de slag als verpleegkundige bij een CLB.

Toen ik anderhalf jaar was, ben ik geadopteerd uit de Filipijnen. Ik kwam terecht in een gezin dat al vier biologische kinderen had. Na mij kwam er nog een jongere zus. Zij is ook van de Filipijnen, maar komt uit een andere regio. Wij waren dus een gezin met zes kinderen. Gedurende een jaar of vier was er ook een geadopteerd pleegkind in het gezin. Zijn adoptiemoeder was gestorven en door de werkomstandigheden van zijn adoptievader verblijf hij tijdens de week bij ons. Toen wij verhuisden van Antwerpen naar Brugge ging die jongen naar een ander pleeggezin, maar wij bleven contact houden, weliswaar oppervlakkig.

Mijn jeugd was goed, plezant. Ik kwam in een fijn gezin terecht en kreeg daar alle kansen: hobby’s, studeren, werken, reizen … Maar ik kreeg ook onder mijn voeten. Evenveel als de andere kinderen, niet meer of niet minder. We gingen veel op vakantie naar de zee. Ik heb veel vrienden gemaakt. Het was een gewone jeugd, niet bijster speciaal.

Doorheen mijn kinderjaren hadden wij veel contact met twee adoptiegezinnen. Het klikte tussen de ouders en ook de kinderen klikten met elkaar. Wij gingen naar dezelfde school, woonden bij elkaar in de buurt en speelden wekelijks samen. Voor ons was het gewoon dat wij altijd samen optrokken. Ik denk niet dat dat bewust was omwille van adoptie, maar eerder ten gevolge van adoptie. De kinderen waren allemaal via dezelfde zuster geadopteerd vanuit de Filipijnen. Mijn ouders hadden een beperkte vriendengroep en dat waren dan vooral de gezinnen met wie zij afspraken. Daarnaast had een zus van mijn moeder kinderen geadopteerd. Ik ben dus in een omgeving opgegroeid waar adoptie redelijk aanwezig was.

De eerste zes maanden van mijn leven zou ik doorgebracht hebben bij mijn biologische ouders. Zij lieten mij achter in een hotel en ik kwam in een weeshuis terecht. Een missiezuster die toevallig een dag in het weeshuis was, merkte dat ik het niet goed stelde. Zij ging naar huis en dacht ’s nachts toen ze in bed lag: dat klopt niet. Zij is dan in het midden van de nacht opgestaan, naar het weeshuis gegaan en heeft gezegd dat ze ervoor zou zorgen dat ik geadopteerd werd. Zij nam mij mee en ik heb nog een jaar bij haar gewoond tot ze een gezin vond. Wij zijn altijd contact blijven houden. Mijn ouders stuurden brieven en foto’s en we zagen elkaar als ze terugkwam naar België. Later schreef ik haar zelf. Ze was op mijn huwelijk en op de doop van mijn kinderen. Alle mijlpalen dus. Enkele jaren geleden is ze gestorven.

Adoptie stond nooit op de voorgrond in mijn leven. Ik herinner me wel dat er in Knack eens een artikel verscheen met de titel: “Bij 75% van de adopties loopt het verkeerd.” Ik heb toen een open brief geschreven naar Knack, want ik vond de inhoud van dat artikel niet volledig. Aan alle verhalen zijn er twee kanten en de kant van die 25% kwam niet aan bod. Ik heb ook eens gereageerd op een VRT-programma waar vooral negatieve adoptieverhalen verteld werden. Ik schreef dat er ook positieve verhalen zijn, maar de reactie die ik kreeg, was dat dat geen televisiekijkers oplevert. Zoiets knaagt aan mijn rechtvaardigheidsgevoel. Ik heb dat niet alleen met adoptie, ook met andere thema’s. Ik vind dat je altijd een zo volledig mogelijk verhaal moet proberen brengen.

Er was een eenmalige gebeurtenis gelinkt aan mijn adoptie die wel vervelend was. Toen mijn man en ik trouwden en we de huwelijksaangifte gingen doen, moesten we documenten meenemen. Ik nam mijn adoptieakte mee, maar dat was niet voldoende. Ik moest een geboorteakte voorleggen. Ik had een geboorteakte afgestempeld in het jaar 1977, maar dat was ook niet voldoende, want er moest een recente datum opstaan. Volgens de Belgische Staat is een adoptieakte gelijk aan een geboorteakte, maar in Brugge deden ze daarover moeilijk. Blijkbaar waren er in Brugge op dat moment veel schijnhuwelijken met Aziatische vrouwen. Afgaand op mijn uiterlijk en het papier dat ik geboren was in de Filipijnen, dachten ze: dat is een schijnhuwelijk. Uiteindelijk heb ik mijn moeder erbij gehaald en moesten wij van de burgerlijke stand naar de rechtbank gaan om mijn adoptieakte gelijk te laten verklaren aan een geboorteakte.

Ik ben niet meer in de Filipijnen geweest. Ik heb er geen nood aan om speciaal zo ver te reizen of op zoek te gaan naar familie. De zuster die mijn adoptie regelde, zei ook altijd dat ik niet naar mijn roots moest zoeken. Ze zei: “Je hebt een nieuwe start gekregen, dus ga vooruit en niet achteruit.” Ik vond dat een wijze vrouw en ik heb dat gerespecteerd. Enkel als ik niet meer kon functioneren door het gebrek aan info, moest ik het doen en dan zou ze mij helpen. Dus ik wist: als het moet, dan kan het.

Ik weet dat ik de jongste van vijf kinderen ben. Volgens mijn geboorteakte is mijn vader honderdtien. Mijn biologische ouders waren dus al wat ouder toen ze mij kregen. Ik heb hun namen, maar ik weet niet hoe betrouwbaar die informatie is. Het kan kloppen, maar het kan evengoed niet kloppen. Dus dan heb ik iets van: ik ga er geen energie in steken, ik vind het niet nodig. Geadopteerden die het wel doen, veroordeel ik absoluut niet. Als je dat doet, is dat omdat je dat nodig vindt. En er is maar één persoon die daarover kan oordelen en dat is die persoon zelf.

Mijn kinderen hebben zich tot nu geen vragen gesteld. Enkel toen we een aantal jaren geleden de kast opruimden en we de adoptieakte tegenkwamen, vroegen ze of ik mijn familie daar ooit al eens had opgezocht. Ik antwoordde van niet en hoorde ze tegen elkaar zeggen: “Gaan wij dat dan eens doen? Misschien moeten we de Witte Gids proberen?” Zij kregen het verhaal van jongs af aan mee. Voor hen is dat geen spectaculair verhaal: mama is niet geboren bij moeke, maar mama is geboren in de Filipijnen.

Mijn moeder leeft nog. De band met haar is goed. Mijn vader stierf toen ik twaalf jaar was. Zijn overlijden was een groot verlies en had een grotere impact op mij dan mijn adoptie. Maar ook dat overleef je als je daarin goed begeleid wordt. Mijn moeder bracht het alleen met zes kinderen tot een goed einde. Ik hield daar geen trauma aan over. Als er iets misloopt in mijn leven, dan zal ik niet zeggen: “Ah, dat is omdat ik zonder papa ben opgegroeid” of  “Ah, dat is omdat ik geadopteerd ben.” Soms loopt het door omstandigheden eens minder zonder dat mijn verleden daarmee te maken heeft.

Mijn verhaal is wat het is. Redelijk simpel. Dat is ook hoe ik in het leven sta: niet gecompliceerd. A l'aise. Ik heb mij altijd aanvaard gevoeld. Ik ben een gelukkige vrouw. Mijn leven had er helemaal anders uitgezien als ik niet geadopteerd was. Was ik dan zelfs nog in leven? Dat weet ik niet. Op die manier heeft adoptie dus wel een grote impact gehad op mijn leven. Het heeft een mooie plaats gekregen.