Het verhaal van Renate

 

Ik ben geboren in Korea in september ’84. Ik was vier maanden oud toen ik in België aankwam. Mijn moeder heeft me bij mijn geboorte afgestaan. Mijn vader had een ernstig drankprobleem en zat op dat moment in de gevangenis, ze hadden al twee dochters.
Ondertussen weet ik dat mijn mama een week na mijn geboorte teruggegaan is naar het ziekenhuis. Ze wilde haar beslissing herzien en me mee naar huis nemen, maar in het ziekenhuis vertelde het personeel haar dat ik al weg was. Sinds ik haar ontmoet heb, afgelopen april, weten we allebei dat dat een leugen was.

In mijn nieuwe gezin in België was ik de oudste. Een jaar na mij kwam mijn adoptiezus erbij, zij is ook geadopteerd uit Zuid-Korea. Gevoelsmatig is zij gewoon mijn zus, meer dan mijn adoptieouders als mijn ouders aanvoelen. Zij hebben jarenlang geprobeerd om biologisch eigen kinderen te krijgen, maar het lukte niet. Mijn zus en ik hebben altijd het gevoel gehad dat wij die leegte moesten opvullen. Er was voor ons weinig veiligheid in het gezin. We leerden vooral om ons onzichtbaar te maken.

Bij ons thuis spraken we nooit over adoptie. Dat zou voor mijn adoptieouders de illusie doorprikken, zo voelde het. Wij waren wel hun kinderen, maar niet zoals zij het eigenlijk hadden gewild of gehoopt,  en dat moest toegedekt blijven. Ik ging daar dan zelf ook altijd in mee. Ik zei overal dat mijn adoptieouders wel mijn echte ouders zijn en werd dan ook kwaad als mensen dat in vraag stelden. Door de manier waarop er bij ons met adoptie werd omgegaan, dacht ik dat ik altijd dankbaar moest zijn. Ondertussen weet ik dat veel andere geadopteerden dat gevoel herkennen.

Voor de buitenwereld zag mijn leven er prima uit. Ik deed het goed op school, speelde vier instrumenten, op mijn 25e had ik twee diploma’s, ik had veel vrienden. In de lagere school werd ik gepest omwille van hoe ik eruit zag, maar sinds het middelbaar ben ik altijd omringd door goede vrienden. Maatschappelijk was ik meer dan geslaagd. Ik gedroeg me overal zoals ik dacht dat mensen van me verwachtten. Ik weet nu dat dat niet enkel te maken heeft met de manier waarop we opgroeiden, maar ook met het feit dat ik afgestaan en geadopteerd ben.

Mijn adoptievader stierf toen ik 20 was. Dat heeft me toen niet echt geraakt. Ik ben altijd heel rationeel en nuchter geweest. In zekere zin kan je zeggen dat dat mijn sterkte was. Mijn denken heeft me veel gebracht, maar echte gevoelens liet ik niet toe.

Er is mij altijd verteld dat er geen enkele informatie was over mijn familie. Toen ik zwanger werd – ik was toen ongeveer 28 – heb ik aan mijn adoptiemoeder gevraagd of dat 100% klopt. Door de zwangerschap begon ik me vragen te stellen over erfelijkheid. Mijn moeder verzekerde me dat ze niets wist, maar ik begon het toch vreemd te vinden. Ik heb de hele zolder doorzocht en uiteindelijk mijn adoptiedossier gevonden. Dat was best volledig: het omvatte data, namen, organisaties. Achteraf bleken veel gegevens echter incorrect.

Ik heb de organisatie opgezocht die mijn adoptie geregeld had en zag op hun website dat ze de mogelijkheid aanboden om aan je familie in Korea te laten weten hoe het met je ging. Ik had tot dan toe geen behoefte om echt op zoek te gaan naar mijn gezin, maar ik wilde hen wel geruststellen dat ik oké was. Omwille van de verkeerde informatie in mijn dossier konden ze mijn moeder niet vinden, maar wel haar zus die destijds bij de bevalling aanwezig was. Mijn familie heeft heel snel op dat signaal gereageerd en op die manier zijn we toch in contact gekomen. Eigenlijk kan je dus stellen dat ik mijn familie stommelings gevonden heb.

Dat was het eerste moment waarop ik bewust verdriet voelde rond mijn adoptie. Ik wist nu dat mijn gezin in Korea nog samen is en dat er na mij nog een zoon geboren is. “Waarom ben ik dan moeten weggaan?”, vroeg ik me af. Mijn vader wist blijkbaar ook niet dat ik nog leefde. Hij dacht dat ik bij de geboorte was gestorven. Mijn jongere broer was nergens van op de hoogte. Enkel mijn moeder en oudere zussen wisten van mijn adoptie.

Ik heb toen enkele brieven met hen geschreven, maar uit loyaliteit naar mijn adoptiemama wilde ik het contact beperkt houden. Ik wist dat het haar erg zou kwetsen. Na mijn bevalling was ik bovendien heel boos. Ik kon niet begrijpen hoe je je eigen kind kan afstaan. Ik voelde me gekwetst. Gaandeweg kreeg ik beter zich op de beweegredenen van ouders om een kind af te staan, maar al die emoties en rouwfases moest ik eerst door.

Nadat mijn adoptiemoeder stierf in 2019 is de bal aan het rollen gegaan. Via een DNA-test wist ik dat mijn gezin écht mijn gezin was. Ik ging op dat moment ook naar een therapeut die me deed beseffen dat ik me altijd gedissocieerd had met mijn verleden in Korea, maar dat dat weldegelijk een deel van mij is. Het is niet vanzelfsprekend om een psycholoog of therapeut te vinden die kennis heeft van de mogelijke gevolgen van afgestaan zijn en geadopteerd worden. Er is jammer genoeg een groot gebrek aan adoptiesensitieve hulpverlening in Vlaanderen.

Na een tijdje wilde ik niets liever dan naar Korea gaan en mijn gezin ontmoeten, maar Corona strooide roet in het eten. Op den duur had ik niet alleen mentaal maar ook fysiek zoveel pijn dat mijn man tegen me zei: “ik denk dat je toch beter nu vertrekt, ook al moet je daar dan twee weken in quarantaine”. Op dat moment kon ik bijna niet meer bewegen, zo hard woog het op me. Ik kan dus beamen dat trauma’s sporen nalaten in het lichaam.

De ontmoeting met mijn familie heeft me veel gebracht. Voor ik vertrok, voelde ik me als een behoeftig kind. Ik wilde mijn mama voelen en door haar gevoed worden. Gelukkig had zij hetzelfde. We vonden elkaar in onze behoeften en dat was fijn. Na drie weken kwamen de nieuwe uitdagingen: hoe ga ik met deze nieuwe situatie om? Hoe pak ik dit aan in de toekomst? Ik wilde eigenlijk het liefst zoveel mogelijk daar zijn, maar mijn eigen gezin is in België. Ik voelde me verscheurd. Het bezoek heeft me dus zeker rust gegeven, maar ook nieuwe uitdagingen gebracht. Op zoek gaan naar je familie is geen eindpunt, het brengt altijd nieuwe vragen met zich mee.

In tegenstelling tot mijn adoptiegezin voel ik me bij mijn familie in Korea redelijk veilig. Ik heb het gevoel dat ik er gewoon mag zijn, waardoor ik makkelijker mijn grenzen kan aangeven. Ondanks alle moeilijkheden tussen mijn ouders is het ook een warm gezin. Ik ben er graag. Er zijn uiteraard veel verschillen tussen ons. We delen bijvoorbeeld geen cultuur. Dat merk ik, maar ik heb niet het gevoel dat het ons contact in de weg staat. Zolang mijn ouders nog leven, wil ik hen zo vaak mogelijk zien. Op dit moment kiest mijn moeder ervoor om verdere ontmoetingen uit te stellen. Door haar eigen pijn trekt ze zich terug uit het contact. Het is voor ons beide een pijnlijke en kwetsende situatie.  

Eerst dacht ik nog dat ik daar wilde gaan wonen, maar nu denk ik er anders over. Ik wil eerst rust vinden op een plek, dichtbij mijn man en kinderen. In tussentijd kies ik ervoor om zo veel mogelijk naar daar te gaan. En ik videobel elke maand met de hele familie.

Ik kan me voorstellen dat als je ook een goede band hebt met je adoptiefamilie dat het dan nog veel verwarrender is. Wie krijgt dan welke plaats in je leven? Bij mij was er na het overlijden van mijn adoptieouders wel plaats voor ouderfiguren. Gelukkig hoor ik ook verhalen van geadopteerden die een goede band hebben met hun adoptieouders en veel openheid ervaren in het contact met hun eerste familie. Het een hoeft het ander dus niet uit te sluiten.

Naar mijn aanvoelen kunnen adoptieouders nooit de plek innemen van de eerste familie, maar ze kunnen wel naast elkaar bestaan. Adoptieouders kunnen de meest fantastische ouders zijn, maar er moet altijd ruimte zijn voor de eerste ouders. Adoptieouders kunnen en mogen nooit op die plek gaan staan. Als iemand kritisch is over adoptie, is dat dus niet hetzelfde als zeggen ‘adoptieouders, ik zie jullie niet graag’. Als adoptieouders kunnen erkennen en aanvaarden dat ze niet de plek kunnen innemen van de eerste ouders, maar wel hun eigen plek hebben naast de ouders – niet beter of slechter, maar wel anders –, dan zou er voor veel geadopteerden minder ruis zitten op die relatie en zou het loyaliteitsconflict ook minder groot zijn, denk ik.

Hetzelfde geldt ook omgekeerd. Adoptiekinderen kunnen niet de plaats innemen van biologisch eigen kinderen. Het feit dat je geen kinderen kan krijgen is heel hard, maar je kan die leegte niet vullen met een adoptiekind. Het is beter om het gat te laten bestaan en het te doorvoelen. Ik denk dat er daarrond nog te veel taboe bestaat, in beide richtingen. Het moet mogelijk zijn om dat te mogen voelen. En uiteraard kan je je adoptiekinderen tegelijk heel graag zien.

Die gevoeligheden maken het debat errond lastig. Mensen hebben allemaal hun eigen betrokkenheid en dat maakt het moeilijk om niet persoonlijk te reageren. Ik probeer zelf om me niet te laten leiden door mijn emoties, maar dat is niet altijd eenvoudig.

Tijdens mijn jeugd had ik niet veel contact met andere geadopteerden. Het doet deugd om na 36 jaar met andere geadopteerden te praten en te horen “oh, dat heb ik ook”. Ik leer nu de Koreaanse cultuur en gewoontes kennen, kijk Koreaanse series en eet veel Koreaans. Wat ik voel, geldt natuurlijk niet voor alle geadopteerden. Er zijn veel perspectieven en facetten aan adoptie, dus mijn blik erop verandert ook met de tijd. Op dit moment ben ik er heel erg mee bezig. Nadat ik er zolang geen aandacht aan gegeven heb, voelt het nu alsof ik een inhaalbeweging aan het doen ben. Het contact met andere geadopteerden voelt daarbij als een warm bad.