Het verhaal van Tabitha

 

Ik ben geboren in een klein dorpje in de buurt van Mumbai. Ik heb mijn biologische ouders nooit gekend. Er was enkel een grootmoeder die te ziek was om voor mij te zorgen. Zo ben ik in een weeshuis terecht gekomen. Toen ik 14 maanden oud was, zat ik op een vliegtuig naar België.

Mijn adoptieouders wisten dat ik niet in goede gezondheid was; ik was erg ondervoed. Mijn vader had op voorhand al contact opgenomen met het Tropisch Instituut om te vragen of ze mij daar konden helpen. Toen ik in de luchthaven aankwam, zijn we dan ook rechtstreeks naar het ziekenhuis vertrokken.

Alles moest zodanig snel gaan dat de adoptiepapieren zelfs nog niet in orde waren. Strikt genomen was ik op dat moment nog niet de dochter van mijn ouders. De behandelende dokter in het ziekenhuis wou mij daarom niet met hen mee naar huis laten gaan. “Dat is uw kind niet”, zei hij.

Mijn vader heeft mij dan mee naar buiten genomen terwijl de dokter al roepend en tierend door de gangen liep. Achteraf zijn de papieren uiteraard in orde gekomen, maar het moet moeilijk geweest zijn voor mijn ouders om te horen dat je geen zeggenschap hebt over een kindje waarop je zo lang hebt gewacht.

Gaandeweg zijn de grootste effecten van mijn extreme ondervoeding verdwenen, maar ik heb tot op de dag van vandaag een zwakke gezondheid. Ik denk dat mijn eerste levensjaar echt een hel geweest moet zijn. Ik heb er geen bewuste herinneringen aan, maar er zijn gedurende mijn jeugd (en ook nu nog) dingen geweest waarvan ik denk dat ze daarmee te maken hebben.

Mijn mama vond vroeger bijvoorbeeld vaak boterhammen onder mijn hoofdkussen, want ik spaarde altijd een beetje eten. Voor het geval dat. Mama stelde me dan gerust, zei me dat er altijd eten zou zijn voor mij, maar tot op vandaag ga ik nooit buiten zonder eten en drinken. Als ik op vakantie ga, is de ene helft van mijn koffer gevuld met kleding, de andere met eten en drinken.

Het is iets dat er niet meer uitgaat. Mijn kasten zitten altijd propvol, ik wil altijd genoeg op voorraad hebben. Zelfs al eet ik het nooit op. Ik probeer eraan te werken, maar het zal waarschijnlijk een deel van mij blijven. Als ik weet dat ik voldoende eten bij me heb, geeft me dat een veilig gevoel.

Op mijn 20e, toen ik in een soort identiteitscrisis zat, heb ik eens tegen mijn mama gezegd dat het voor mij soms voelde alsof ik alleen was op de wereld. Achteraf gezien begrijp ik dat ik haar toen gekwetst heb, maar dat was hoe ik me voelde. Ik had veel vrienden en mensen rond me heen, maar niemand met wie ik een bloedband had.

In die zin heb ik altijd een dubbel gevoel gehad bij mij adoptieouders. Ik zie ze heel graag, maar ik durf niet alles te zeggen, omdat ik soms het gevoel heb dat ik niet helemaal begrepen word. Op een bepaald moment wou ik op zoek gaan naar mijn roots, dus ging ik naar de bibliotheek en leende daar boeken over India. Toen mijn mama die vond, begreep ze niet waarom ik daar interesse in had. Ik vermoed dat ze schrik had dat ik naar daar zou gaan en niet meer zou terugkomen.

Dat was helemaal niet mijn bedoeling: ik voelde me net zoveel Belg als de mensen rondom me, maar ik was gewoon nieuwsgierig naar het land waar ik geboren ben. Door die angst die altijd aanwezig was bij mijn adoptieouders, was er weinig communicatie mogelijk over onderwerpen die met adoptie te maken hebben.

Ik heb een strenge opvoeding gehad. Mijn ouders waren Jehova’s Getuigen en waren daar heel fanatiek in. Ik mocht niet veel buiten komen, wat niet bepaald bevorderlijk was voor mijn sociale contacten.

Communicatie was bij mij thuis altijd een heikel punt. Over gevoelens praten was moeilijk voor mijn ouders. Zij zijn een andere generatie en bovendien een typisch conservatief West-Vlaams gezin. “Niet trunten en doordoen”, zeiden ze. Dat gebrek aan openheid heeft mijn leven in grote mate bepaald. Ook nu weten veel mensen niet hoe het echt met mij gaat. Ik heb vaak het gevoel alsof ik het niet waard ben om over te praten. Mijn scheiding is daar een gevolg van. Ik kan niet goed communiceren over hoe ik me voel.

Als ik adoptieouders een tip zou mogen geven, dan zou ik willen vragen om open te zijn over de roots van je kind. Het zou veel leuker geweest zijn als mijn mama mee was gegaan naar de bibliotheek en we samen boeken hadden uitgezocht. Op die manier kan alles vlotter een plaats krijgen. Mijn ouders wilden mij vooral in het plaatje doen passen hier. Dat bedoelden ze goed, maar het was niet de realiteit.

Sinds twee jaar heeft mama Alzheimer. Ik voel me nu niet meer haar dochter, maar haar mantelzorger. Dat doet pijn. Nu kan ik helemaal niet meer met haar communiceren. Ondanks het gebrek aan openheid dat er altijd was tussen mij en mijn ouders, waren mijn mama en ik heel close.

Het is frappant hoe goed we op elkaar lijken: we delen dezelfde karaktertrekken, doen onbewust dezelfde uitspraken, zelfs fysiek delen we bepaalde fijne en minder fijne (endometriose) eigenschappen. Iedereen zou zo geloven dat ze mijn biologische moeder is. Dat ik haar nu kwijt ben, zelfs al is ze er eigenlijk nog, maakt me verdrietig.

Toen ik jong was, werd ik veel gepest omwille van mijn huidskleur. Ik was het enige niet-witte kindje in mijn klas. Als ik dan thuiskwam, vroeg ik soms aan mama: “wil je me in bad stoppen en me zo lang wassen tot ik zo bleek ben als jij?”. Ik heb daar toen heel erg van afgezien.

Na die jaren wou ik niet meer het kneusje van de groep zijn en heb ik mezelf een grote mond aangemeten. Sinds dat moment ging het beter en begon ik me steeds meer deel van de groep te voelen. Nu ben ik 43 en krijg ik af en toe nog een opmerking van andere mensen over mijn huidskleur. Dat zijn de momenten waarop ik denk “ahja, juist, ik zie er anders uit”. Over het algemeen ga ik daar op een humoristische manier mee om, maar het raakt je altijd wel een beetje. Toch weet ik intussen: ik hoef mij niet meer te meten aan het oordeel van een ander om te weten wat ik waard ben. Als je jong bent, is dat moeilijker.

Na het middelbaar ben ik beginnen studeren voor Maatschappelijk Assistent. Ik zag in die studies veel dat ik op mezelf kon toepassen en begon me ook meer en meer vragen te stellen. Op wie lijk ik? Wat voor mensen waren mijn ouders? Ik heb geen foto’s en kan mijn ouders niet visualiseren, dus ik probeerde me voortdurend voor te stellen hoe ze eruit zouden zien. Nu ben ik daar niet meer zo mee bezig, maar die vragen zorgden ervoor dat ik rond mijn 20e veel nadacht over mijn identiteit.

Ik ben nooit terug naar India gegaan. Ik twijfel er nog altijd over. Ooit ga ik het wel doen, denk ik, maar het is geen prioriteit. Ik zou dan graag naar het weeshuis gaan. Ik weet niet zo goed wat het gaat doen met mij. Het kan mij misschien helemaal door elkaar schudden en daar ben ik nu niet klaar voor.

Het lijkt soms alsof je als geadopteerde verplicht bent om je in je adoptie en je roots te interesseren. Ik vind dat je altijd je gevoel moet volgen. Wil je meer te weten komen, dan is dat goed. Wil je dat op dit moment niet, dan is dat net zo goed. Adoptie is een deel van mijn leven, ik heb het een plaats gegeven en dat is goed voor mij. Ik ben er niet elke dag mee bezig. Ook dat moet kunnen.