Gezocht en (niet) gevonden: Dries vertelt

 

We hebben het snel over het zoeken naar, vinden van en contact hebben met eerste ouders, maar niet iedereen hoeft te zoeken, kan vinden of heeft contact. In deze reeks vertellen verschillende geadopteerden hoe zij dit ervaren.

Dries | 28 jaar | °België | buddy bij a-Buddy

“Verder dan Aalter ben ik nooit geraakt”

Ik ben geboren in Gent, opgegroeid in De Pinte en nu woon ik in Merelbeke. De eerste drie maanden van mijn leven bracht ik door bij een pleegmoeder in Aalter. Verder dan Aalter ben ik dus nooit geraakt.

Toen mijn ouders me gingen halen, werden er bloemen aan huis geleverd. Omdat zij niet thuis waren, gaven ze het boeket af bij de overbuurvrouw. Zij bezorgde het later aan mijn ouders en zei: “Er zijn bloemen geleverd, maar als ik naar het kaartje kijk, dan denk ik niet dat het voor jullie is.” De curieuzeneuzemosterdpot had het kaartje gelezen waarop stond “Proficiat met jullie zoon!” En omdat ze mijn mama niet met een dikke buik had gezien, konden de bloemen niet voor hen zijn natuurlijk.

“Je komt niet uit onze buik, maar uit ons hart”

Ik had een fijne jeugd. Rustig, weinig wetend, nietsvermoedend. Op jonge leeftijd vertelden mijn ouders dat ik niet uit hun buik kwam, maar uit hun hart. Dat was allemaal goed en hetzelfde voor mij. Ik kan me dat moment zelf niet herinneren. Blijkbaar speelde ik erna gewoon verder. Ik wist niet dat het adoptie was, maar groeide dus wel op met de wetenschap dat ik niet uit de buik van mama kwam.

Toen er later een neefje of nichtje geboren werd, kwam het ook ter sprake. Daarnaast bood het boekje Jan en Vod mij een houvast. Toen ik klein was, was buitenlandse en binnenlandse adoptie voor mij totaal iets anders. “Dat zijn andere kleurtjes, ik hoor daar niet thuis”, zei ik. In de media zag je nooit iets over witte geadopteerde kindjes, maar Jan is ook een wit personage.

In de klas wist iedereen dat ik geadopteerd was. Mijn ouders waren daar open over. Ik was daar open over. Toen ik een jaar of tien was, deed ik een spreekbeurt over adoptie. Er was een schoolbib en we moesten een boek bespreken. Ik koos Hoe Wouter Wouter werd. Dat is mijn eerste uitgebreide herinnering aan adoptie. Er zijn ook briefjes die ik aan mijn biologische moeder schreef op moederdag, maar dat kan ik me niet herinneren.

“Die vier woordjes hingen op een post-it boven mijn bed”

De naam van mijn biologische moeder was nooit een geheim, maar blijkbaar wou ik daar in de lagere school niets van weten. Daardoor werd ik me pas aan het begin van het middelbaar bewust van haar naam. Rond die periode begon ik mij vragen te stellen.

Omdat ik vragen stelde, polste mijn mama bij de adoptiedienst die mijn adoptie bemiddeld had (ondertussen bestaat deze adoptiedienst niet meer). Ze kwam terug met vier woordjes over mijn buikmama: twee uiterlijke kenmerken en twee kenmerken gelinkt aan haar interesses. Die vier woordjes schreven we op een post-it en die post-it hing lang boven mijn bed.

En ik hield er ook lang aan vast. Dan liep ik rond in Gent en zocht ik naar iemand die aan die kenmerken kon voldoen. Zou ze dat kunnen zijn? Of toch eerder die? Ik wist niet waar zij woonde, maar ik was geboren in Gent, dus als ik in Gent was, keek ik de hele tijd uit naar haar.

“Het was direct: nee, ze wil geen contact”

Rond de leeftijd van veertien werd het moeilijker. Mijn zoekvragen kwamen. Mijn mama en ik gingen samen naar de adoptiedienst, maar dat was een slechte ervaring. Ik stelde de vraag om contact en men zei onmiddellijk dat mijn moeder dat niet wou. Dat was waarschijnlijk gebaseerd op haar initiële wens toen ze mij afstond. Het kwam hard aan dat men geen moeite deed, zelfs niet alsof. Het was direct: nee, ze wil geen contact.

Door die slechte ervaring begon ik samen met mama actie te ondernemen. Ik had de naam van mijn biologische moeder, ik had de gerechtspapieren en er was internet. Mijn mama hielp altijd bij het zoeken. Ze zat er niet achter, maar steunde mij wel. Als ik vragen had, kon ik bij haar terecht of ging zij zich informeren. Het was een luxe dat zij daar zo open en hulpvaardig in was. Ik zei haar ook steeds: “Ik wil contact met mijn biologische moeder, maar jij blijft mijn moeder.”

“Het was een geruststelling om te weten hoe ze eruitzag”

Uiteindelijk vond mama een foto online waarvan we dachten dat mijn biologische moeder erop stond. De adoptiedienst bevestigde dat vermoeden, het enige waarmee ze mij wilden helpen.

Die foto betekende veel voor mij en heeft al overal gezeten, geplakt en gestaan. Ik zocht onmiddellijk naar fysieke gelijkenissen, want voor het eerst kreeg ik een idee vanwaar bepaalde fysieke kenmerken kwamen. Het was ook een geruststelling om te weten hoe ze eruitzag. Ik kon in Gent rondlopen zonder de hele tijd te denken: zou ze dat zijn?

“De nood aan contact was zo groot dat ik iets moest doen”

Mijn eerste poging om haar te contacteren was rond mijn zestiende. Ik vond haar e-mailadres en op haar verjaardag stuurde ik een anoniem bericht met ‘gelukkige verjaardag’. De nood aan contact was zo groot dat ik iets móest doen. Op die e-mail kwam nooit reactie, logisch en ik verwachtte het ook niet.

Mijn tweede poging tot contact, een drietal jaren later, was een brief. Toen ik in het vijfde middelbaar zat, schreef ik op een nacht alles uit naar haar en die oude brief verstuurde ik. Het bestond uit een envelop met envelopjes in: eentje met foto's, een briefje waarin ik me voorstelde en een meer uitgebreide brief. Ik spreidde alles om het rustig, kalmpjes aan te doen, zodat ze zelf kon kiezen wat ze wel en niet opendeed. Mijn mama en een vriendin lazen alles na. Ik had geen persoonlijk adres van mijn buikmama, dus stuurde ik de brief naar een adres waarvan ik dacht dat het zo tot bij haar zou geraken, maar ontving geen reactie.

“Het is de wet van de traagste”

Een tweetal jaar later verstuurde ik diezelfde brief naar het adres dat op mijn gerechtspapieren stond. Ik vermoedde dat mijn biologische mama daar niet meer woonde, maar haar ouders wel. Na een lezing in Museum M over de verhalenbundel Mijn ouders zijn mijn ouders niet, onthield ik een zinnetje: het is de wet van de traagste. Wie het traagst is, bepaalt het tempo. Maar ik kon toch een duwtje geven? Dus ik stuurde dezelfde brief met een verjaardagskaartje, omdat ze rond die periode verjaarde.

Achteraf bleek dat ze die brief nooit ontvangen had, op geen van beide adressen. Maar goed ook. Het was een heel emotioneel beladen brief, te zwaar om op te sturen. Zeker als eerste brief. Ondertussen kan ik zeggen dat ik weet hoe zij zich voelt en het had gigantisch slecht geweest als ze hem had gelezen.

“Dat waren geen diepgaande vragen, eerder vragen uit een vriendschapsboekje”

In 2016 zat ik bij Te Awa, een geadopteerdengroep in Gent, en daar gingen mijn oogkleppen af. Ik was niet enkel meer met mijn adoptie bezig, maar met adoptie in het algemeen. Dat maakte mijn persoonlijk verhaal draaglijker, denk ik. Ik kwam in contact met andere geadopteerden, ging naar adoptiebijeenkomsten en leerde een nazorgmedewerker kennen die het contact tussen mijn biologische mama en mij kon bemiddelen. Ik sprak met haar af en zij legde me haar methode uit. Die volgden we.

De nazorgmedewerker stuurde een aangetekende brief naar mijn mama, waarin ze vertelde dat ze een sociaal werker was. De brief werd naar mijn mama’s persoonlijke adres gestuurd. Het adres bleef voor mij onbekend, maar zo zou de brief zeker aankomen.

Na een tijdje reageerde mijn biologische moeder op de brief. Zij sprak af met de nazorgmedewerker. De afspraak was zonder mij, maar ik schreef wel een hele ‘wie ben ik’ uit en noteerde ook enkele basic vraagjes waarop ik een antwoord wou. Dat waren geen diepgaande vragen, eerder vragen uit een vriendschapsboekje, om low profile te beginnen.

Mijn buikmama antwoordde op al mijn vraagjes. Ze zei ook dat ze mijn twee brieven nooit ontvangen had. Daar ben ik dus blij om, want ze had de aangetekende brief van de nazorgmedewerker al als zeer emotioneel ervaren, terwijl daar in vergelijking met mijn brieven niets gewichtig instond.

Op het einde van het verslag over dat gesprek stond er: “Kan je ervoor zorgen dat hij mij een beetje met rust laat?” Of daar kwam het toch op neer. Mijn biologische mama verstond mijn contactverzoek, maar toch blokte ze het af. En dan heb ik haar wil om met rust gelaten te worden gerespecteerd. Ik ben dan bezig geweest met andere dingen omtrent adoptie: Te Awa, a-Buddy, VAG.

“Nee sturen was dan een teken van respect naar mij toe”

Na drie jaar borrelde mijn drang tot contact weer op. Samen met een andere nazorgmedewerker stuurde ik een brief naar mijn biologische grootouders. Daar kwam geen reactie op.

Een half jaar later stak ik dezelfde brief in hun brievenbus, maar met een kleine aanpassing bovenaan. Ik vroeg of ze zo vriendelijk zouden willen zijn om mij alsjeblieft een brief met ‘nee’ terug te sturen, zelfs als ze niet wilden antwoorden. Zo wist ik dat ik niet meer moest proberen. Nee sturen was dan een teken van respect naar mij toe. Maar ook daar kreeg ik nooit antwoord op.

Ik had graag tot een contact gekomen met hen. Briefwisseling, daarom niet face-to-face, maar dat heb ik nu achter mij gelaten. Dat was een piste en mede met een psycholoog heb ik die piste wat bewandeld.

“Het steekt dat er dingen over mij zijn die ik niet mag weten”

Ik weet waarom ik ben afgestaan. Ik heb dat altijd geweten, maar het werd definitief bevestigd toen ik mijn dossier inkeek bij het Vlaams Centrum voor Adoptie (VCA). Mijn ouders hadden geen dossier, enkel de gerechtspapieren, en door de slechte ervaring bij mijn adoptiedienst wilde ik mijn dossier niet bij hen inkijken. Daarom deed ik een dossieraanvraag bij het VCA. Zij vroegen mijn dossier op bij de adoptiedienst. Dat bestond uiteindelijk uit een half papiertje met daarop de reden van afstand.

Maar er is ook informatie die ik niet heb. Voordat ik de brief naar mijn biologische grootouders stuurde, werd mijn dossier overgedragen van de ene naar een andere nazorgmedewerker. Ik was bij die overdracht en mijn dossier bestond uit twee enveloppen. De inhoud van de ene envelop kende ik, de andere niet. Ik mocht er niet bij zijn toen die envelop besproken werd. Ik moest naar buiten gaan.

Dat blijft steken. Dat zijn dingen over mij die ik niet mag weten. Ik weet nog altijd niet wat erin staat en waarom ik het niet mag weten. Vorig jaar kwam ik toevallig iets te weten over de bevalling en dat was voor mij een geruststelling. Ik had dat liever al veel langer geweten.

“Ik heb impulskes, maar met respect naar haar toe”

Ik ben fiftyfifty procent blij dat ik gezocht heb. Ik heb een foto en zij heeft dat ene gesprek toegezegd. Daardoor zie ik een opening. Het geeft hoop, want het kan misschien later nog eens. Maar voorlopig is het een ‘nee’ en dat zorgt voor niet honderd procent blijheid.

Ik heb de situatie altijd heel zorgend vanuit haar kant proberen te bekijken. Ik heb van die impulskes dat ik iets moet ondernemen, maar ik doe dat met respect naar haar toe. De zoekdrang naar mijn vader daarentegen had ik welgeteld 1 week. Ik heb geen respect naar hem toe. Ik heb het zelfs lastig om het woord ‘vader’ te gebruiken. Dat is hij niet.

Bij mij was het zoekgedeelte niet moeilijk, maar het contactgedeelte wel. Dat lijkt precies iets typisch te zijn bij binnenlandse adoptie. Als ik verhalen hoor van buitenlands geadopteerden, is voor hen de zoektocht veel moeilijker, maar eens de vondst er is, worden ze bij wijze van spreken met open armen onthaald. Maar ik stel me dat waarschijnlijk te mooi voor.

“Er is een glazen wand tussen ons”

Ik zeg altijd dat er een glazen wand is tussen mijn biologische mama en mij. Ik kan ze zien staan, ik kan zelfs langs de zijkanten van die glazen wand reiken om haar aan te raken. Maar het is glas. En glas is fragiel. Dat kan breken of mooi heel blijven. En dat is het lastige. Ik kan zogezegd aan haar deur gaan staan, maar lost dat iets op? Dat is het gedeelte van mij dat rekening houdt met haar, dat zegt: ik doe het niet.

Mocht ik met haar geen rekening houden, dan zou ik haar onmiddellijk opzoeken en met haar willen babbelen. Maar dat lost niets op, dat maakt de kloof alleen groter. Dan gaat het glas kapot en komt er een stenen muur in de plaats. En dat wil ik niet. Dus ik koester wat ik al heb. Ik wil meer, maar het is een heel moeilijk padje om te bewandelen.

“Met de buddy’s en andere geadopteerden als ruggensteun, maar ik schrijf zelf”

In sommige periodes ben ik er heel weinig mee bezig, maar nu neemt het weer veel plaats in in mijn denkwereld. Mijn twee grootste steunpilaren zijn twee geadopteerde vriendinnen. Ook van mijn andere vrienden en de buddy’s van a-Buddy ervaar ik steun. Mijn adoptievader was altijd stiller dan mijn moeder als het over adoptie ging, maar ook hij staat achter mij. Hij is fier op alles wat ik al gedaan heb en hoe ik ermee omga.

Ondertussen werken de nazorgmedewerkers die mij begeleidden niet meer binnen adoptie. Voor mij is het niet zo’n probleem om te switchen qua contactpersoon, maar de persoon met wie mijn biologische moeder dat gesprek had, is ook weg. Mijn moeder kreeg een brief dat er een overdracht zou gebeuren, maar ook die persoon is er niet meer. Ik snap dat het zo gaat. Werk is werk en werk kan gedaan zijn, maar dat maakt het wel onpersoonlijk, terwijl het om heel persoonlijke dingen gaat.

Dus nu denk ik weer: ik ga het alleen doen. Met de buddy’s en andere geadopteerden als ruggensteun, maar ik schrijf zelf. Die gedachte zit in de kinderschoenen. Dat is de toekomst.

Heb je concrete zoekvragen? Het recent opgerichte Afstammingscentrum is de centrale toegangspoort voor zowel binnenlands als buitenlands geadopteerden die vragen hebben over de eigen afstamming. Ook eerste ouders en adoptieouders kunnen bij het Afstammingscentrum terecht. Je kan hen bereiken via info@afstammingscentrum.be of op 09 277 04 43 (weekdagen 14:00 – 16:00).

Op a-Search.be vind je als geadopteerde jongere allerlei informatie over het online zoeken naar, contacteren van en gecontacteerd worden door je biologische familie.