Het verhaal van Marie

 

“Ik heb vree veel chance gehad”

Ik ben geboren in 1961. Mijn biologische moeder werkte als au pair toen ze zwanger werd van mij. Mijn biologische vader was haar werkgever, de vader van de kinderen waar ze op paste. Het was een slippertje. Haar familie was van goede komaf en een dochter die ongewenst zwanger was, dat kon niet in het streng katholieke West-Vlaanderen. Ze mocht mij niet houden. Haar familie had contacten binnen de kerk. Zij zouden wel een oplossing vinden voor mij.

Ik was een maand oud toen ik terecht kwam in een gezin in Oostduinkerke. Ik heb een broer, die vijf jaar ouder is. Hij is ook geadopteerd. ‘Adoptieouders’ is een term die ik niet gebruik. Mijn ouders waren mijn ouders. Punt. Mijn moetje en mijn vaatje. Daar heeft voor mij nooit twijfel over bestaan, ook niet toen ik wist dat ik geadopteerd was. Als kind vertelden mijn ouders ons dat moetje een zieke buik had en dat wij uit een andere buik kwamen. Ik was zo gelukkig in mijn gezin dat ik mij daar nooit vragen bij heb gesteld. Mijn broer wel, hij had het moeilijker en wilde al snel meer weten. Ook nu, zoveel jaar later, is het nog altijd een moeilijk onderwerp voor hem. Omdat mijn beleving zo anders is, kon en kan ik er met hem niet over spreken. Als we samen zijn, gaan we het onderwerp uit de weg.

Mijn adoptie is voor mij nooit een belangrijk thema geweest. Ik vond het vervelend dat er bij diploma-uitreikingen, op mijn geboorteakte of zelfs op mijn eigen trouwfeest bij het noemen van mijn naam steeds benadrukt werd dat ik ‘aangenomen’ was, maar stelde mij verder geen vragen. Het was pas later, toen ik zwanger werd van een tweeling, dat ik begon na te denken over mijn genetische achtergrond. Omdat ik met zoveel mensen in contact kwam, werd mij bijna dagelijks gevraagd of tweelingzwangerschappen in de familie zaten. Ik kende mijn biologische familie niet, dus kon er geen antwoord op geven. Die vraag is voor mij de trigger geweest om te gaan zoeken.

Na de dood van mijn moeder ben ik op zoek gegaan. Ik was toen 40 jaar. Mijn broer wist dat er in het ouderlijke huis een map was met documenten. Mijn vader heeft mij die map gegeven. Hoewel het hem pijn deed, begreep hij dat ik meer wilde weten. Via de burgerlijke stand van de woonplaats van mijn biologische moeder heb ik informatie gekregen die de beambte mij officieel eigenlijk niet mocht geven. Na een tijdje had ik een adres. Ik heb haar dan een brief gestuurd, heel sec en formeel, waarin ik mezelf kort voorstelde en vertelde dat ik op zoek was naar mijn biologische moeder. Ik sloot af met mijn contactgegevens. ’s Anderendaags ging de telefoon. Ze had de brief ontvangen. Ze begon te babbelen, te wenen. Ze wilde weten wie ik was.

Ik ben naar haar toe gereden met een grote bos bloemen. Ze heeft mij omhelsd, ik voelde niks. Voor haar was dat de mooiste dag van haar leven. Ze heeft mij verteld over het verleden, over hoe ze zwanger was geworden van mij. Ze noemde de naam van mijn biologische vader, maar die heb ik niet onthouden. Ondertussen is hij overleden. Ze vertelde mij ook over haar broers, een tweeling. Ik had dus meteen een antwoord op mijn vraag: het zat in de familie.

Ik kwam te weten dat ze na mij nog een dochter kreeg. Ze was op dat moment getrouwd. Haar man en dochter hadden geen idee dat ik bestond. Ze had altijd over mij gezwegen. Ik kon begrijpen dat ze mij geheim gehouden had. Mijn moeder was erg gelovig geweest en de druk van haar familie en de katholieke kerk was zo groot dat het voor haar voelde alsof ze geen keuze had. Ze had elke dag aan mij gedacht, zei ze, maar had het nooit gedeeld. Nadat ze mij had ontmoet, heeft ze het wel verteld aan haar dochter, mijn halfzus. Haar man was op dat moment al overleden. Hij heeft het dus nooit geweten.

Als ik nu over haar praat, met mijn kinderen of kleinkinderen, noem ik haar ‘die madame’. Dat klinkt misschien niet zo mooi, maar dat is wat ze voor mij was. ‘Die madame’ was voor mij zakelijk en duidelijk. Ik voelde me er het veiligst bij. Op een bepaald moment vroeg ze of mijn kinderen haar ‘oma’ mochten noemen, maar dat wilde ik niet. ‘Oma’ was mijn moeder, die titel was al gereserveerd.

Ik had af en toe contact met haar. Dan kwam ze naar hier met de trein en haalde ik haar op. Ik heb ooit de fout gemaakt om haar uit te nodigen voor moederdag. Die dag was een ramp, vooral voor mijn kinderen. Mijn kinderen voelden zich geremd naar mij toe, omwille van ‘die madame’, en ik voelde mij geremd naar haar toe, omwille van mijn kinderen. Van dan af zag ik haar enkel nog op minder geladen momenten. Intussen is ze overleden.

Mijn halfzus zie ik ongeveer een keer per jaar. Dan gaan we een koffie drinken, soms met partners erbij. Ik beschouw haar als een kennis. Toen zij van haar moeder hoorde van mijn bestaan, was ze er letterlijk ziek van. Ze kon moeilijk geloven waarom haar moeder zolang over mij gezwegen had en voelde zich bedrogen. Ook haar kinderen namen het hun oma erg kwalijk. Op het moment dat mijn biologische moeder stierf, was mijn halfzus bij haar. Voor ze haar man en kinderen belde, belde ze naar mij. Ik ben naar de begrafenis geweest, maar behalve het gezin van mijn halfzus wist niemand wie ik was. Tijdens en na de dienst had ik het enorm lastig. Gelukkig was mijn partner bij me om me te steunen. Het knaagde aan me dat ik een onbekende was voor haar omgeving, hoewel ik eigenlijk hetzelfde had gedaan met haar.

Nadat ik mijn biologische moeder voor het eerst gezien had, voelde ik me zo blij. De hele rit naar huis heb ik geweend en heb ik geroepen “maar moetje en vaatje toch, wat ben ik blij dat ik bij jullie terecht gekomen ben!”. Ik heb altijd een warme thuis gehad en heb me altijd zo enorm gewenst gevoeld. Ook mijn kinderen hebben altijd geweten dat ik geadopteerd ben, voor hen was daar niets vreemd aan. Hun oma was hun oma, een super oma zelfs. Ik kan niet anders dan met warmte terugdenken aan mijn ouders. Mijn moeder is twintig jaar geleden gestorven, mijn vader vijf jaar geleden. Zeker met mijn vader heb ik nog veel tijd kunnen doorbrengen, omdat ik het toen zelf al minder druk had. Daar heb ik veel deugd van gehad. Voor mij is mijn adoptie een heel positief verhaal. Als ik denk aan hoe mijn leven gelopen is, dan besef ik: “ik heb vree veel chance gehad.”

 

Ik koos voor zonnebloemen als foto. Moetje hield enorm van kleurrijke bloemen en haar lievelingskleur was groen. Je wordt er vrolijk van, het verwijst naar de zon; de warmte die ik mee gekregen heb, ze dragen veel zaadjes. Ze zijn allemaal verschillend. Sommige bloemen hebben een gebroken stengel, die hebben minder chance gehad... Maar ze voelen zich goed met de vele anderen om zich heen.