Het verhaal van Marijke

 
Eigenlijk heb ik me nooit druk gemaakt over het feit dat ik geadopteerd ben. Dat was voor mij zo normaal als het leven zelf. Ik wist het van kleins af aan. Knap hoe mijn ouders me langzaam maar zeker hebben duidelijk gemaakt dat er ook kindjes zijn zonder mama of papa, of die van een andere mama-buik komen. Bovendien lieten ze mij en mijn broertje overvloedig voelen hoe gelukkig ze met ons waren.

Ons verhaal begint in Duitsland, WO II, waar mijn toekomstige papa als opgeëiste arbeider in een fabriek verliefd wordt op het Duitse meisje aan de receptie. Ze maken samen heel wat mee, redden mekaar een paar keer het leven. Dan volgt de opluchting, de oorlog is voorbij. Hij mag naar huis. Hij wil haar niet achterlaten en zij droomt er al sinds haar kindertijd van om dat vreselijke land te verlaten. Ze trouwen, zodat ze Belg wordt en mee mag.
Maanden later komt ze eindelijk “thuis” bij haar schoonfamilie, in een stad en buurt die zwaar hebben geleden onder de wreedheden van haar landgenoten. Hoe cynisch dat zij, met haar hekel aan haar land en zijn misdaden, wordt gezien als de verpersoonlijking van die oude vijand... Wat haar overeind houdt is de hoop dat ze snel een kindje, een eigen gezin zal hebben, net zoals haar schoonbroer en -zus die toevallig op dezelfde dag waren getrouwd. Bij hen kwam binnen de 10 maanden het eerste kindje, maar zij wordt elke maand weer pijnlijk teleurgesteld...

De jaren gaan voorbij en de belofte van vijf kinderen die een waarzegster haar ooit had opgespeld komt maar niet uit. Elke kans grijpt ze aan om zich met kinderen te omringen. Alle kinderen van de familie, vooral die uit kroostrijke gezinnen, brengen heel wat tijd door bij mijn ouders. Ze houden haar overeind, en ook papa geniet ervan, maar het zijn nu eenmaal altijd andermans kinderen…. Dan komt ineens de verlossende tip. Een zustercongregatie zou een adoptiewerk opzetten voor adoptie “sous X”. De voorwaarden, om zeker te zijn dat de kinderen in een stabiele situatie terecht komen, zijn strikt: ze kunnen zich pas als kandidaat-ouders inschrijven na 15 jaar huwelijk en nadat ze allebei 35 jaar oud zijn geworden.

Stel je voor wat een ontlading van geluk, wat een tsunami van liefde er over me werd uitgestort toen ik na bijna 16 jaar hopen, vrezen en teleurgesteld worden eindelijk hun droom mocht waar maken. Papa had in zijn bureautje thuis een bandopnemer klaar staan met het Halleluja van Händel. Dat zou hij afspelen wanneer eindelijk het verlossende telefoontje kwam. Maar toen het zover was, was hij zo ontroerd, dat hij er niet eens meer aan dacht… Hoe vaak hebben ze me dat verteld, lachend, maar nog steeds ontroerd. Die liefde, geluk en zorg zijn gebleven. Altijd. Nu nog. En ook voor mijn broertje dat er zo’n drie jaar later bij kwam.
Wat er ook wel meteen was, is de angst dat de geboortemoeder ons toch nog terug zou willen. Als je zo lang en zo intens naar een kindje hebt verlangd, kan je je allicht niet voorstellen dat iemand anders er geen wil, om welke reden dan ook…

Mijn adoptie is dus nooit een probleem geweest voor mij. Het is pas toen er zoveel jaren later op televisie reportages opdoken, en vreselijke artikels in weekbladen, over enerzijds meisjes die waren gedwongen om hun kind af te staan en anderzijds geadopteerde kinderen die het daar psychisch moeilijk mee hadden of sociale problemen kregen, dat ik naar het ruimere plaatje ging kijken.

Was het echt zo erg dat ik niet wist van wie ik mijn neus had? Voor mij niet. Gelijkenissen kunnen frappant zijn, en leuk, maar dat maakt je geluk toch niet!

Was het echt zo erg dat ik geen genetische band met mijn ouders had? Ik zag kinderen, zelfs binnen de familie, met de perfecte genetische band maar in enorme probleemsituaties!

Was ik minder het kind van mijn ouders omdat ik niet eerst 9 maanden in de buik van mijn moeder had gezeten? Zoveel kinderen worden verwekt zonder erbij na te denken en belanden dan in een gefrustreerd gezin, in armoede, agressie of verwaarlozing. In mijn geval waren mijn ouders 15 jaar zwanger geweest, hadden ze heel bewust verlangd naar hun kind(eren) en waardeerden ze dat geschenk dag na dag.

Conclusie, “loud and clear”: mijn adoptie was voor mij een geschenk, geen probleem.

Toch galmde er iets na van die verhalen van meisjes van wie de baby met een list was afgenomen, of die onder druk waren gezet door hun familie omwille van hun “goede naam”. Dàt was wat anders... Ja, het is goed mogelijk dat ergens een vrouw allang is vergeten wanneer het ook weer was geweest dat ze van “dat kind van die rotvent” was bevallen, en dat ze enkel nog vreest dat die nachtmerrie ooit bij haar op de stoep zou staan. Die laatste vrouw, die laat me koud. Ze wilde me niet, ze is tevreden zonder mij en ik ben gelukkig zonder haar. Ik ben terechtgekomen in een zalig warm nest en heb een prachtig leven gehad dat ik voor niets ter wereld zou willen ruilen.

Maar er is dus ook een reële kans dat er ergens een vrouw rondloopt die elk jaar op mijn verjaardag depressief wordt omdat ze denkt aan het kind dat ze die dag verloor. Ergens leeft een vrouw, misschien zelfs met haar gezin, met het pijnlijke geheim van een eerste kind waar niemand weet van heeft. Ergens voelt iemand zich schuldig omdat ze zich niet harder tegen de morele druk heeft verzet, omdat ze niet de moed heeft gehad om het in haar eentje te doen… Dat hield me wel bezig. Vaak. Regelmatig. Nu ook nog.

Ze heeft me het leven geschonken, ik ben goed terecht gekomen
en blij dat mijn leven zo is gegaan, maar dat weet zij niet...

Als kind werd ik eens gevraagd om voor kandidaat-adoptie-ouders te getuigen. Ik heb dit toen in tranen verteld, en ik hoopte stilletjes dat mijn geboortemoeder het op de een of andere manier te horen zou krijgen:

Ik ben zo dankbaar voor je moed om niet naar abortus te grijpen.
Ik ben zo dankbaar dat je voor mij de ongemakken van een zwangerschap
 en de helse pijnen van een bevalling hebt doorstaan.
Ik ben zo dankbaar dat je de moed hebt gehad om me te laten gaan,
  want ik had het niet beter kunnen treffen dan waar ik nu ben.
Maak je geen zorgen. Voel je niet schuldig.
Wees niet boos op wat je omgeving je - al bij al met goede,
  zij het soms misplaatste, bedoelingen - heeft aangedaan.

Vlak voor mijn veertigste werd ik moslim, en dan nog wel als kind uit een diep-christelijk gezin. Elke stap in mijn leven heeft me dichter bij God gebracht en bij deze prachtige manier van leven. Al die eerste stappen (dus ook mijn geboorte en adoptie) waren daarvoor vitaal. De Islam legt een enorme nadruk op het belang van en het respect voor de moeder. Dat was voor mij geen enkel probleem, integendeel. Voor beide. Mijn “echte” mama, die me heeft geknuffeld, verzorgd, opgevoed, getroost,... (en papa ook, uiteraard!) en mijn geboortemoeder die dit heeft mogelijk gemaakt.
Onze familie had altijd wel een band gehouden met de zusters van het adoptiewerk, en toen ik mijn man vertelde over mijn bezorgdheid om mijn geboortemoeder, moedigde hij me aan om toch nog eens te proberen die boodschap ècht tot bij haar te krijgen. De enige die kon weten wie ze was, was de zuster van het adoptiewerk. Dus trokken wij naar de andere kant van het land om aan de zuster te vragen die boodschap door te geven. Ze hoefde me niet te vertellen wie mij op de wereld had gezet, ik wilde haar enkel vragen mijn geboortemoeder gerust te stellen… We kwamen te laat: de zuster was dement geworden en haar dossiers waren enkele jaren daarvoor in een brand gesneuveld.

Toen ik hoorde van de CNAOP (Le Conseil National pour l’Accès aux Origines Personnelles) besefte ik dat dit mijn laatste kans was: ik registreerde al mijn gegevens bij hen, en wanneer ooit mijn geboortemoeder of haar familie hetzelfde doet, zullen we met elkaar in contact worden gebracht (als we dat beiden willen). Jammer dat ik dit zo laat heb ontdekt. Ik word weldra 58 - hoe groot is de kans dat mijn oorsprong-moeder een internet-oma is geworden? Maar hoop doet leven. Ik heb het geprobeerd, en door mijn verhaal hier te vertellen komt het misschien ongeweten toch nog bij haar terecht. Hoe dan ook wil ik aan meisjes die hun kind ooit hebben afgestaan, om welke reden dan ook, zeggen:

Wanhoop niet, het draait echt niet voor iedereen slecht uit. Kijk om je heen. Zowel onder geadopteerde kinderen als bij kinderen die gewoon bij hun ouders bleven, zullen er zijn die wel gelukkig zijn en andere niet, die het leven aankunnen of net niet, die hun ouders fier maken of net niet.
Jij hebt een mens het leven gegeven. Houd van hem of haar op afstand en weet dat de kans groot is dat je die liefde ook terugkrijgt. Op afstand.
Heb je je kind afgestaan “sous X”, contacteer dan die CNAOP. Wie weet…!

Aan mede-geadopteerden wil ik vooral de raad geven: staar je niet blind op het feit dat je werd afgestaan, en ook niet op de omstandigheden. Andere mensen maken op andere manieren zaken mee die hen brengen waar ze niet willen zijn. De kunst is om daar waar je bent het beste van je leven te maken en dankbaar te zijn voor elke dag, voor elke kans. Iemand gebruikte ooit dit beeld om het belang van die houding uit te leggen:

Als je met de wagen rijdt, hoe groot is dan het raam waardoor je vooruit kijkt?
En hoe groot is de spiegel waarmee je ziet wat achter je ligt?
Als je te lang en te vaak achterom kijkt, gebeuren er ongelukken.
Gebruik die achteruitkijkspiegel als referentie, maar laat hem je leven niet bepalen.