Als iemand met een adoptieverhaal en andere ingrijpende levenservaringen heb ik lang gevoeld hoe snel je wordt teruggebracht tot een label. Daarom voel ik de nood om te schrijven over wat het betekent om mens te zijn. Eens heerlijk zonder labels. Zonder verdeeldheid. Puur mens.
We leven in een tijd van stigmatisering en ‘wij-zij’ denken. Maar ik vraag me af: zijn wij als mens niet eerder gemaakt voor verbinding? In welke mate spelen o.a. onze emotionele wonden een rol in verdeeldheid, misverstanden en conflict? En fungeren we niet als spiegels voor elkaar om te groeien als mens?
Een mensenleven is niet rechtlijnig. Intense levensgebeurtenissen, verlies of trauma hebben impact en dat mag. Echter zijn we niet altijd gehoord of gezien geweest in die stukken van ons verhaal, waardoor er een kloof tussen ons kan ontstaan.
Vanuit mijn zoektocht om mezelf beter te begrijpen in relatie tot de wereld, schenk ik graag een stukje van mijn proces.
Iedereen verkeert wel eens in woelige wateren. Bij mij gebeurde dit na een impactvolle gebeurtenis die een sneeuwbaleffect van onveiligheid in gang zette. Ik besloot langs te gaan bij een relatietherapeute.
Daar vertelde ik hoe ik frustratie ervoer over hoe ik in mijn omgeving niet gezien werd in mijn pijn. Zodra ik grenzen begon aan te geven, had ik (destijds) het gevoel dat er met de vinger gewezen werd naar mij. Dat nodigde mij uit om ook met de vinger te wijzen. Ik die anderen altijd begreep, werd zelf niet begrepen toen ik het hardste nodig had. Kortom: verschillende partijen raakten verstrikt in hun eigen verdedigingsstrategieën. Of eerder: overlevingsstrategieën.
Wat ik nu zie als gelimiteerde overtuigingen, waren toen waarheden die me uit balans brachten. Gedachten zoals: zie je wel, niemand begrijpt me, ik kan niemand vertrouwen, ik staat er alleen voor.
Bij de therapeute ontving ik confronterende, maar boeiende spiegels: “Als je wijst, wijzen er nog drie andere vingers naar jezelf. Wat is jouw aandeel?” Nog meer confronterend was de uitspraak: “De relatie die je hebt met anderen is de relatie die je hebt met jezelf.” Midden in de pijn was dit wel de onverwachte spiegel, maar nu kijk ik daar dankbaar op terug.
Dankzij deze spiegels kon ik een reis maken naar innerlijke landschappen waar ik tot de kern kwam, die van de imprint: een onbewuste blauwdruk die o.a. mee bepaalt hoe we naar onszelf, anderen en de wereld kijken. Psychiaters zoals Stanislav Grof en Thomas Verney beschreven hoe ervaringen al tijdens de zwangerschap en geboorte onze eerste en diepste imprints vormen.
Ik begrijp meer en meer dat wij als mens complexe wezens zijn. Een groot deel van wat we voelen en doen speelt zich af buiten ons bewustzijn. Tegelijk hoeft niet alles onderzocht te worden in het onderbewuste. Niet elke spanning is een traumarespons. Maar stilstaan bij waarom we op een bepaalde manier reageren of waarom iets ons zo diep raakt, kan wel waardevol zijn.
Wat ik leerde tijdens deze reis, was dat ik een keuze had: blijf ik reageren vanuit wat de ander doet, of richt ik mijn aandacht naar wat het in mij raakt en eer ik deze spiegel? Waar laat ik de verantwoordelijkheid bij de ander, en waar kan ik mijn eigen verantwoordelijkheid opnemen? Hoe bevrijd ik mezelf van deze dans?
Mijn therapeute stelde op een bepaald moment de vraag: "Als je het gevoel hebt dat de ander jou niet ziet, zie je jezelf dan ergens ook niet?" Ik begreep dit initieel niet goed. Ik dacht: ik toon toch al mijn grenzen, waarom zie ik mezelf dan niet?
Nu besef ik dat dit net de laagjes van onderbewustzijn zijn waar we op botsen. Ze zitten zo diep verscholen. Ze vragen je echt om met je eigen ongemak te gaan zitten: gewoon jij met jezelf, en verder niets. Niet wijzen en opnieuw de ander aanklagen, maar kijken wat er diep binnenin jou zoveel pijn doet. Het is zeer menselijk om dat niet meteen te kunnen benoemen. Het is ook zeer menselijk om deze stukken niet te willen of kunnen aankijken. Kortom, elk op zijn manier en tempo.
Onderzoek toont aan dat de hersenen van een baby supersnelle verbindingen maken, zodat ze razendsnel kunnen leren. Psychiaters zoals Bruce Perry en Bessel Van der Kolk wijzen erop dat herhaalde ervaringen van stress of onveiligheid worden verankerd in ons zenuwstelsel en ‘de amygdala’, het alarmcentrum van de hersenen. Wanneer ons alarmsysteem als jong kind te veel wordt geactiveerd, leren we om voortdurend waakzaam te zijn. Je kunt het zien als een onzichtbare, getrainde spier die klaarstaat om zich te verweren en te overleven. Wanneer omstandigheden, situaties of reacties raken aan iets wat in ons onderbewustzijn leeft, reageert ons lichaam hierop. Want: “the body keeps the score”! Mijn lichaam herinnerde zich in die moeilijke periode ook iets.
Dankzij de therapeut werd ik me bewust van de hoeveelheid onveiligheid die ik heb ervaren in mijn recht op bestaan. Ik groeide op in de buik van een veertienjarige jongedame die zich moest prostitueren, werd tweemaal weggeschonken in een periode van zes maanden na de geboorte, en onderging een internationale adoptie op tweejarige leeftijd waar er geen nazorg was voor mij noch het gezin waarin ik terechtkwam.
Deze vroege levenservaringen resulteerden in een imprint waarbij mijn bestaansrecht op de proef werd gesteld: mag ik er zijn, is het hier veilig, mag ik mijn plaats innemen? De onveiligheid gebeurde niet éénmalig, maar kreeg vijfmaal een herbevestiging. En de intense levensgebeurtenis in mijn volwassen leven activeerde dit opnieuw.
Door mezelf te laten meedrijven op de stroming van pijn en ongemak, realiseerde ik me waarom ik me in bepaalde situaties zo ongezien voelde. Onder die ervaring zat een diepere onzichtbare nood, namelijk: om de pijn op mijn bestaansrecht, zelf bestaansrecht te geven. In plaats van te wachten op de erkenning van anderen, nodigde deze ervaring me uit mezelf te leren erkennen en dat bestaansrecht te geven. Dit was een initiatie in zelfliefde.
Toen mijn wonde rond onveiligheid ruimte kreeg in mezelf, kon zij bewegen waar ze eerder vastzat. Soms door eens echt goed te huilen in een veilige omgeving, de natuur, tijdens een ceremonie, of al meezingend met liederen.
Het is niet zo dat die pijn hersteld moet worden. Ze mag er zijn. Ze komt met momenten nog eens piepen, en dan houd ik haar vast: het bange kind van toen, maar ook de volwassen vrouw die met dezelfde angst werd geconfronteerd. Een verlamming die lang in het lichaam vastzat en werd getriggerd door die andere levensgebeurtenissen.
Gaandeweg heb ik mezelf toegewijd om gezonde grenzen te stellen, om een gezonde verhouding te creëren met de gekwetste delen van mijn verhaal en om te begrijpen wat liefde en zelfliefde echt inhoudt, en me zo veilig te kunnen voelen in mijn eigen lichaam. Misschien herkennen we dat allemaal wel, ongeacht onze achtergrond of hechtingsstijl. We dragen allemaal een stukje van vroege imprints met ons mee. Echo’s van vragen als: kan ik het wel? Mag ik het wel? En voor mezelf: mag ik me eindelijk veilig voelen?
Geadopteerd zijn is een deel van mijn verhaal geworden, maar is voor mij geen identiteit meer. Ik heb een verhaal van verlies, rouw en veel onveiligheid, maar daarin ben ik niet uniek. Op verschillende manieren krijgen we daar als mens allemaal mee te maken. Een verweving als een spinnenweb van verschillende realiteiten, maar met éénzelfde kern: menselijke kwetsbaarheid.
Wanneer we elkaar niet langer zien als labels, maar als mensen met elk een eigen verhaal van vallen en opstaan, van liefde en pijn, van vreugde en overleving, breekt de muur van het 'wij-zij'-denken en ontstaat er ruimte voor verbinding.
Als we eerst compassie voor onszelf kunnen creëren, kunnen we ook met meer mildheid naar anderen kijken. Dan begrijpen we beter dat wij allen een overlevingsmodus hebben tegen een diepe, onbewuste angst of pijn. Het is een bewijs van onze menselijkheid en vooral van onze kwetsbaarheid. En in de erkenning van onze gezamenlijke kwetsbaarheid, kunnen we bruggen creëren naar elkaar. Geen 'wij' tegenover 'zij', maar één grote ‘ons’.