Racisme bij geadopteerden: Jasmine vertelt

 

“Hoe was het voor jou om als persoon van kleur op te groeien in België?”

Vijf volwassen geadopteerden uit China, Haïti, India, Indonesië en Rwanda beantwoorden deze vraag voor ons. Zij vertellen in deze vijfdelige reeks over hun ervaringen met racisme en de zoektocht naar hun identiteit.

Vijf belangrijke getuigenissen die we graag met jullie delen. In dit deel vertelt Jasmine haar verhaal.

 

‘Ik had de westerse mentaliteit, maar toch zag men mij als verschillend’

Ik was vijf toen mijn ouders me in 1995 adopteerden uit Haïti. Opgroeien deed ik in een dorp in de buurt van Brugge. Wij waren de enige bruine kinderen in onze wijk, maar men zag ons wel als de kinderen van witte personen. Er werd dus weinig over gezegd. Ook op school waren we de enigen, maar het was een redelijk alternatieve Freinet school waar we weinig opmerkingen kregen. Toch had ik nooit het gevoel dat ik er volledig bij hoorde. Erbuiten kregen we wel opmerkingen en die kwetsten. Kinderen kwamen ongevraagd aan je haar en zetten het recht, omdat ze het grappig vonden dat ons haar bleef staan. Als je ‘nee’ zei, luisterden ze niet en lachten ze nog meer, wat wel vervelend was.

Ik kon dat moeilijk plaatsen. Ik vond dat men mij moest zien als een witte persoon, want ik was door witte mensen opgevoed. Ik had de westerse mentaliteit, maar toch zag men mij als verschillend. Ik kon dus nooit goed genoeg zijn. Bovenop het feit dat ik geadopteerd was en er niet zelf voor gekozen had om hier te zijn, ontving ik die reacties. Dat deed pijn.

“Ben je daar weer met je Calimero gehalte?”

Grotendeels heb ik het op mijn eentje verwerkt. Als ik erover sprak met vrienden of familie, dan kreeg ik reacties zoals “Ben je daar weer met je Calimero gehalte?” of “Iedereen maakt wel wat mee.” Ik had enkel witte mensen rondom mij en zij begrepen het niet. Na een tijdje vertelde ik het niet meer. Ik dacht dat ik overdreef en me te veel aanstelde. In de periode rond Sinterklaas kon ik bij niemand terecht over de reacties die ik kreeg.

Op mijn adoptieouders kon ik niet steunen. Er was geen ruimte voor onze echte emoties. Zij wilden dat ook niet zien, denk ik. Als ik vroeger naar een nieuwe stageplaats ging, nam ik mijn mama mee zodat men wist dat ik een witte achtergrond had en ze mij niet beoordeelden op mijn huidskleur. Mijn mama maakte dan opmerkingen zoals: "Zet er maar poer achter, want het is een Afrikaan en dat zijn trage mensen.” Ze hield er geen rekening mee dat dit kwetsend was. Dat zijn geen leuke herinneringen, omdat ik zo nog meer moest bewijzen dat ik anders was dan dat zij Afrikanen beschreef. Wat mij onzekerheid en stress bezorgde.

‘Heel mijn leven draaide om bewijzen dat ik het recht heb om hier te zijn’

Ik probeerde er zoveel mogelijk bij te horen en gedroeg mij daarom zo ‘wit’ mogelijk. Ik deed dat door hard te studeren en werken, maar ook door bijvoorbeeld in het plaatselijk dialect te spreken. Ik wou niet dat ze me zagen als ‘een van die mensen.' Ik deed altijd mijn best om anderen tevreden te stellen. Heel mijn leven draaide om bewijzen dat ik het recht heb om hier te zijn.

Tegelijkertijd legde ik me erbij neer dat die onwetendheid in de maatschappij er altijd zal zijn en dat ik mij zal moeten blijven bewijzen. Ik hield me voor dat ik de sterke was, want ondanks de pogingen van de maatschappij kon men mij niet klein krijgen.

‘Sommige dingen mis ik voor mezelf, maar door mijn vrienden kan ik daar van meegenieten’

Op mijn 17 à 18 jaar startte ik de zoektocht naar mijn identiteit. Ik begon naar feestjes te gaan waar er zwarte mensen waren, maakte zwarte vriendinnen en bracht tijd door met hun families. Ik leerde een andere kant van mezelf kennen, er werd een soort rust en nieuwsgierigheid in mij wakker.

Dat ik niet helemaal bij de zwarte noch witte bevolking hoor, vind ik moeilijk. Ik ga regelmatig naar de Matongéwijk in Brussel om mijn haar te laten doen. Ik voel me dan eventjes een van hen en het doet me deugd om niet op te vallen of eruit te springen in de massa. Anderzijds voelt het soms onwennig: ik denk dat je altijd zal blijven zien dat ik geen echte Afrikaanse ben.

Onlangs voelde ik me niet zo goed. Ik vond het jammer dat ik op dat moment geen Afrikaanse moeder had die lekker voor me kon koken. Ik zette dat op Facebook en toen heeft een vriend aan zijn mama gevraagd of zij wou koken voor mij. Hij is dan Afrikaans eten komen brengen. Dat zijn dingen die ik in het echte leven voor mezelf mis, maar door mijn Afrikaanse vrienden kan ik daar ook van meegenieten.

‘Als ik praat, dan is het vanuit mijn standpunt als geadopteerde’

Door Black Lives Matter komen er zaken naar boven die ik altijd al wist, maar waar ik me bij had neergelegd. Het is moeilijk voor mij om een evenwicht te vinden in al die uitgesproken meningen. Als geadopteerde heb ik het gevoel dat ik ertussen sta. Aan de ene kant heb ik zwarte vrienden die dingen opeisen waar ik niet kan achterstaan. Aan de andere kant heb ik witte vrienden die zeggen dat ze het beu zijn om als racist bestempeld te worden, terwijl er hier wel heel veel verborgen racisme is.

Als ik praat, dan is het vanuit mijn standpunt als geadopteerde. Twee jaar geleden nam ik mijn mama mee om dit huis te kunnen huren. Voor mij was dat standaard: ik kan mijn ‘half witte privilege’ gebruiken, maar dat zou niet nodig mogen zijn. In mijn ogen is BLM een oproep aan witte personen om zwarte personen te steunen, niet om witte personen te verwijten. Racisme komt deels voort uit onwetendheid: mensen zijn zich niet bewust dat ze anderen kwetsen. Daarom is educatie belangrijk. De meeste mensen staan er niet bij stil dat ze witte privileges hebben. Dat mag gezegd worden, maar je moet beleefd blijven.

In december wandelde er een gezin met kleine kindjes in mijn straat. De papa zei tegen zijn kindje: “Ik zie, ik zie wat jij niet ziet.” En dat kindje keek naar mij en riep: "Zwarte piet!" Ze passeerden mij zonder hun excuses aan te bieden of iets te zeggen. Dat vond ik wel erg. Dat kindje kan er niets aan doen dat zij zwarte piet associeert met zwarte mensen, maar als ouders zeggen dat zwarte mensen zich niet aangesproken moeten voelen als het om zwarte piet gaat, dan moeten ze hun kinderen het juiste aanleren, hen verbeteren en het niet gewoon zo laten. Onze kinderen, de nieuwe generatie, moeten er juist mee omgaan. Daar begint educatie.

‘Ik maak racisme mee, maar besef het vaak niet’

Ik omring mij zoveel mogelijk met mensen die mij graag hebben. Op mijn werk is dat soms moeilijker. Mijn collega’s maakten eens een heel erge opmerking over een Marokkaanse collega. Het ging erover dat die persoon beter terugkeerde naar zijn land. Ik zat erbij, maar ze stonden er niet bij stil dat ik ook een buitenlandse ben. Ik ben geadopteerd en praat vloeiend Nederlands, dus ze zeggen zo’n dingen minder snel over mij door mijn halfwit privilege.

Echt racisme tegenover mezelf heb ik al lang niet meer ondervonden. Ofwel merk ik het niet op, dat kan ook. Laatst ging ik opdienen en een meneer vroeg vanwaar ik geadopteerd was. Ik vroeg hoe hij wist dat ik geadopteerd was en hij antwoordde: “Omdat je zo vriendelijk bent.” Eigenlijk is dat ongepast, want wat bedoelt hij daarmee? Dat zwarte personen doorgaans niet vriendelijk zijn? Op dat moment heb ik dat niet door. Een meneertje waar ik goed mee overeen kom, zei eens: “Als iedereen zo lief is als jou, mag iedereen wel zwart zijn!” Ik antwoordde dat ik dat heel lief vond van hem. Pas achteraf stond ik erbij stil dat het een racistische opmerking was. Iedereen heeft zijn eigen karakter. Zwart of wit, dat doet er niet toe.

Ik weet dat men het niet slecht bedoelt, maar het wordt wel gezegd. Dus eigenlijk maak ik racisme mee, alleen besef ik het vaak niet. Dat doet me soms twijfelen aan mezelf. Ik heb me zodanig neergelegd bij de denkwijze van witte mensen dat ik het niet meer ervaar als racisme. Het is een mindfuck tegenover mezelf. Dat werkte, tot BLM kwam. Nu sta ik er meer bij stil en dat is soms pijnlijk.

‘De bangheid had ik wat meer moeten loslaten’

Soms voel ik me sterker door hetgeen ik heb meegemaakt. Anderzijds heeft het me heel klein gemaakt. Ik sta niet zo sterk in mijn schoenen. Ik wrong me altijd in bochten om te bewijzen dat ik een goede, zwarte persoon was en dat ik het recht had om hier te zijn. Het blijft een twijfel of die drang om mezelf te bewijzen mijn karakter is of omdat ik zo gevormd ben door mijn opvoeding, ouders, huidskleur of maatschappij.

Ik leefde constant in de angst om niet aanvaard en teruggestuurd te worden. Die bangheid had ik wat meer moeten loslaten. Het heeft me weinig gebracht. Pas nu besef ik dat ik als bruin persoon ook recht heb op een mening en niet bang hoef te zijn om veroordeeld te worden.

‘Ik wil me niet meer verschuilen achter mijn adoptie’

Weet je welke bedenking ik me maakte? Als ik mezelf moet voorstellen, vertel ik - net zoals de meeste geadopteerden - dat ik geadopteerd ben. Het zegt niets over wie ik écht ben, maar toch zeg ik het altijd. Het herinnert me eraan dat het een belangrijk deel is van mijn bestaan. Maar eigenlijk wil ik me niet meer verschuilen achter mijn adoptie. Mensen zijn gerustgesteld als ik zeg dat ik geadopteerd ben en dus witte ouders heb, maar ze moeten me gewoon zien hoe dat ik ben. En dat begint bij mezelf. Ik kan niemand forceren mij te zien zoals ik ben als ik het zelf niet doe.